maandag 11 juli 2016

Week zonder zonde. Suiker.

Of zonde van de week, maar dat weten we vrijdag pas. Ik ga deze week eens gezond leven. Geen dropjes, niet die laatste kinder chocolade reep, met pinda’s. Absoluut favoriet bij mij. Als ik een zak vind met van die heerlijke chocolade bars met pinda’s, ga ik ze voor mezelf verstoppen. Op de een of andere manier vind ik ze ook altijd weer.

Mijn kinderen zijn niet van het snoep, dus eigenlijk hoef ik ook niets in huis te halen, maar de vriendjes en vriendinnetjes verwachten wel een snoepje met een glas limonade als ze komen spelen. 9 van de 10 keer vergeet ik dat. Zet ik netjes bekers water voor ze neer en dat is het dan. Daar moeten ze het mee doen. Ze blijven komen, misschien hopend op toch een snoepje, of omdat het gewoon gezellig is bij ons. Wie zal het zeggen. De snoep die ik voor de vriendjes in huis haal, eet ik allemaal zelf op. ’s Morgens, ’s middags en ’s avonds.
Koekjes voor de visite. Daar doe ik niet aan en heb ik ook nooit aan gedaan. Toch blijft ook de volwassen visite ons huis iedere keer weer bezoeken. En als ik al eens koekjes in huis haal, gaan ze op. Direct. Samen met oudste zoon een wedstrijd: wie eet de meeste koekjes? Ik. Mamma wint altijd.

Zakken noten, dat is dus helemaal erg. Ik koop extra noten voor mijn kinderen, want het zijn behoorlijk slechte vlees eters en dan geef ik ze extra noten voor de proteïnen ofzo. Schijnt namelijk een goede vlees vervanger te zijn. Probleem is echter dat ik de noten allemaal opeet. De ene zak na de andere.  Voor de vorm schil ik ook een appel en snij die in stukje door de noten, zodat het in mijn hoofd toch te boek staat als gezond eten, maar inmiddels heb ik mijn eigen zwemband voor de zomer en hoef  ik geen riem meer om mijn broek te dragen.

Na de eerste twee zwangerschappen had ik in no time mijn sixpack terug, na de geboorte van de derde nooit meer iets van mijn strakke buik terug gezien. Hoeft ook niet. Ik heb drie geweldige kinderen, er zijn echter wel grenzen en die grens is bereikt. Echtgenoot zat op de fiets en ik mopperde over zijn gewicht in relatie tot een vrij platte achterband. Op de terugweg zat ik echter op die fiets en jongste zoon, diezelfde die mijn buikspieren verstopt heeft, vertelde vrolijk achterop de fiets: “Mam, bij u is de achterband nog net zo plat!” Ik hoef u niet te vertellen dat echtgenoot het uitschaterde.

De grens dus. Dat was de grens.

Nee, ik heb geen weegschaal in huis, en nee ik ga niet suikervrij eten, ga geen koolhydraten laten staan en ga zeker mijn zwarte koffie niet uit de weg, maar ik blijf van de zakken noten af, van de snoepjes van de kinderen, en beloof dat ik de rest van de week de alcohol laat staan. Zucht. Er liggen drie heerlijke R.adler biertjes koud op me te wachten in de koelkast en de fles rood die gisteravond geopend werd roept vanuit de keuken naar me. Maar nee, beloofd is beloofd. Ik ga proberen om ’s avonds maar 1 bord op te scheppen en daarna te stoppen, de schoolkoekjes van de kinderen blijven netjes in de kast op de volgende schooldag wachten. Ik ga iedere keer als ik een dip heb  een extra stuk fruit nemen.

Nee, ik ga niet minderen met koolhydraten, want ik moet voldoende koolhydraten binnen krijgen, anders ga ik trillen en zak ik door mijn hoeven. Wordt ik hondsberoerd en begin ik water te lekken uit alle poriën in mijn lichaam en ben ik moe, dood en dood moe. Dus geen hypermodern koolhydratenvrij dieet voor mij. Gewoon gezond blijven eten, maar dan zonder de suikerbommen die ik het afgelopen schooljaar opeens telkens ging eten. Nog nooit zo veel behoefte gehad aan extra suiker als in het afgelopen jaar. En daar gaan we NU verandering in brengen.  


U wordt de komende week op de hoogte gehouden. 


maandag 20 juni 2016

De boze bostrol.

Hallo Jasper, ik mag met de familie mee kamperen. Dat schijnt heel leuk te zijn. Slapen op een wiebelend luchtbed en maar hopen dat hij niet lek is, plassen in een emmertje of tegen een boom en eten koken op een vreemde stalen pan die op een gasfles staat. ’s Morgens je tanden poetsen op een rij bij de wasbakken met een handvol andere kamperende mensen die je overigens niet kent en dan op een wankele stoel relaxed een boek lezen. Ondertussen sla je muggen naar het hiernamaals en wordt je gebeten door rode bosmieren. Ze zijn hier helemaal enthousiast.

En dan sta je opeens op de camping met een tent in een hagelbui. Best gezellig inderdaad het tikken van de hagelstenen tegen het tentdak. Voor mij hebben ze een speciaal bed gemaakt. In een keukenkast. Ik slaap in een keukenkast! De meeste mensen willen geen muizen in hun keukenkast, maar in dit gezin kan een heleboel niet gek genoeg. De eerste nacht hoorde ik gesnuif en gesnuf. Nadat ik van de eerste angst bekomen was, ging ik heel voorzichtig buiten kijken. Daar zat een kleine bostrol. Een hele lelijke kleine bostrol. Dit mag je eigenlijk niet zeggen, maar bostrollen zijn altijd lelijk. Dat hoort zo, anders zijn het geen bostrollen.

Terwijl ik voorzichtig naar buiten liep, in de richting van de bostrol, zag ik dat het een ondeugende bostrol was. Hij haalde bij alle tenten de haringen uit de grond. Snel rende hij van de ene tent naar de andere tent. Tsjak-tsjak-tsjak vlogen de haringen door de rondte. ‘Wat ben jij aan het doen?’ Vroeg ik hem. Hij schrok zich een apehoedje en wilde het op een rennen zetten. Toen hij zag dat ik het was en niet een boze campingeigenaar, en ook geen:  ’s nachts naar het toiletgebouw om te plassen kamperende gast was, stond hij stil. ‘Ik haal iedere nacht alle haringen los.’ ‘Dat zie ik ook wel, maar waarom?’ ‘Omdat al deze mensen in mijn tuin staan. Ik ga toch ook niet zomaar bij iemand in de tuin staan met mijn huis?’ ‘Waar is jouw huis dan?’ Vroeg ik hem. ‘Daar. Dat is mijn huis.’ Hij wees naar een boom in het midden van het veld. De mooiste van het veld. De boom die voor schaduw zorgt als het heel warm is, de boom die geruststellend ruist in de wind en de boom die beschutting biedt tijdens harde regenbuien. De boom waar grote mensen mee knuffelen als ze het ook allemaal niet meer weten. ‘Dat is mijn huis, ik woon daar al mijn hele leven en dan opeens wordt je op een ochtend wakker en sta je midden op een camping! En hebben ze hier iets aan mij gevraagd? Ben je mal, natuurlijk niet! Ik moet alles zo maar goedvinden en nu is het gedaan met mijn rust.’

‘Dat is natuurlijk allemaal heel vervelend, maar om dan maar tenten te saboteren, is toch ook de oplossing niet.  De camping gaat niet zomaar weg, dus we moeten op zoek naar een ander huis voor je waar je weer helemaal tot rust kunt komen.’ ‘Ik ga niet verhuizen! De camping gaat maar weer verhuizen!’ ‘Dat lukt je niet, de camping is hier nu en gaat voorlopig niet meer weg, kost allemaal veel te veel geld en in de grote mensen wereld draait zo ongeveer alles om geld.’ ‘Verhuizen! Maffe muis! Ik ga helemaal niet verhuizen!’

De bostrol liep boos weg en kroop weer in zijn boom, de hele dag hoorde je een licht snurken uit de boomstam komen, alleen hoorbaar voor diegenen die geloven in bostrollen.

De volgende nacht werd ik weer wakker van het geluid van rondvliegende tentharingen. Tsjak-tsjak-tsjak. Begint hij nu weer? Mompelde ik in mezelf en ik kroop mijn warme keukenkast weer uit. Voorzichtig ritste ik de tent open en jawel, daar liep de boze bostrol weer de haringen uit de tenten te trekken. Tsjak-tsjak-tsjak. “Is het nu afgelopen? Je schiet hier echt helemaal niets mee op. Je gaat verhuizen. Naar een locatie waar je als bostrol ook nog nuttig werk kan verrichten.’ ‘Ik wil niet weg, ik woon hier.’ Tsjak-tsjak-tsjak.  

‘Kom mee, vandaag zijn we met alle kinderen naar het bos geweest en daar vonden we een vennetje. Een  prachtig bosven, waar de herten ’s morgens komen drinken en waar de everzwijnen de boel regelmatig omploegen. Maar er is 1 klein probleem. De kikkervisjes.’ ‘Kikkervisjes? Hoe kunnen die nu een probleem zijn?’ De boze bostrol was gestopt met het uittrekken van de haringen. ‘Alle kinderen die meewaren, werden als een magneet aangetrokken tot het water. Allemaal wilden ze die kikkervisjes van dichtbij zien. En kinderen met een bosmeer, dat is geen goede combinatie. Als ze er in vallen, komen ze er niet zo makkelijk meer uit. Jouw nieuwe taak is dan ook de kinderen bang maken als ze te dicht bij de waterkant komen. Dan roep je heel hard boe!, of bah!, of iets anders. Als ze maar schrikken en snel terugrennen naar de camping.’

De bostrol zat me met 1 oog aan te kijken. De andere zat dicht, dan kon hij beter denken. ‘Boe of bah. Of iets anders. Snoeptomaat. Mag ik dat ook roepen? Snoeptomaat! Of wilde wasbeer? Chocotoffee! Dat vind ik een leuk woord. Chocotoffee! Ik doe het. Maar dan moet ik wel ergens wonen. In de buurt van dat vennetje. Dat is natuurlijk handiger.’


Hij was helemaal enthousiast Jasper. Dus liepen we samen door het donkere bos in de richting van het vennetje. En weet je wat we vonden? Een echt bostrollen hol! Kijk maar op de foto. Zo verhuisde de bostrol naar zijn nieuwe onderkomen in de buurt van het vennetje. Af en toe hoorden de kamperende mensen dwars door het bos: Chocotoffee! Of Snoeptomaat! En niemand die begreep waar dat vandaan kwam. Behalve de bange kinderen  die heel hard terug kwamen rennen en de kikkervisjes de rest van de vakantie met rust lieten.  



dinsdag 24 mei 2016

Museum

Je gaat met je eigen, geen huis tuin en keuken gezin,  naar het museum. Een luxe. Een met van Goghs en een echte Gauguin.  Met beelden die los in de ruimte staan en ook nog dusdanig dat je er heel mooi verstoppertje kunt spelen. Wat je uiteraard niet doet, en je kinderen ook niet, ze zijn ergens wel goed opgevoed, maar het kan wel. Het zou zelfs echt heel goed kunnen. Maar je doet het dus niet, want tikkertje is echt veel leuker. Nee, alle gekheid op een stokje, ook dat deden ze niet. Mijn jongste liep rondjes door de zalen en vond alles saai en stom en lelijk. Niets was meer goed, hij wilde naar buiten. Naar de echte kunstwerken. Had zijn favoriet al gekozen en ook al een wandelroute uitgestippeld. Maar pappa en mamma gingen eerst naar binnen. Omdat dat sociaal wenselijk gedrag was. Iedereen met een kaartje ging eerst naar binnen.

“Geeft u uw jas maar af in de garderobe.” “Nee, want we willen niet naar binnen, we willen door de voordeur naar binnen en dan door de achterdeur direct weer naar buiten.” Er werd gekeken alsof we een explosief in onze tas hadden in plaats van een boterham met kaas. Een platte boterham met kaas, want in de stoelendans voor een plaatsje in het restaurant plofte mamma op de tas. Niet er naast. “U kunt uw jas dus afgeven in de garderobe.” “Maar beste man, we willen niet naar binnen, we willen naar… Laat maar. We lopen binnen ook wel een rondje.”

Dochter huppelt voor ons uit na de kaartcontrole en besluit in die mooi maagdelijke lege gangen een radslag te doen. En nog 1. Mamma roept “NEE!” en we worden direct vergezeld door 3 bavianen met draadjes in hun oor. Zit een microfoon in. Wij werden live begeleid door het museum. Een luxe museum. Op de Veluwe. Weet u allemaal welke ik bedoel. Geeft niets hoor, die live begeleiding. Ik kon rustig naar kunst kijken en bavianen waakten voor zakkenrollers. Ik kon rustig teksten naast kunstwerken lezen en bavianen zorgden voor mijn kinderen. Ik vond ze terug op een bankje. Naast elkaar. Keurig gedaan mannen! Waar kan ik die draadjes voor in mijn oren kopen?

Jongste loopt even later een zaal binnen waar op dat moment net een toeristische groep rondliep. Een Toeristische groep uit Japan. Met camera’s en lenzen en koptelefoons.  Jongste loopt zich dus nergens van bewust te zijn naar binnen en zet het dan op een ijselijk gillen. Het klonk zoiets als: “IEEEEEEEEEEEEE! Een blote vrouw!!!” Mannen draaiden zich om, vrouwen trouwens ook, bavianen haalden draadjes uit hun oor en wreven over pijnlijk gehoororgaan en Toeristische Japanners haalden de koptelefoons van hun hoofd en keken vol verbazing naar de ontstane consternatie. Even was er volledige stilte. Even. Daarna klikten de talloze camera’s van de toeristische Japanners.


Tsja, wie hangt er dan ook een Venus met Amor als honingdief in het museum? En als zoon langzaam zijn handjes voor zijn ogen laat zakken staat hij ook nog eens oog  in oog met een andere Venus en Amor. Voor jongste zoon was dat de druppel. Hij wilde maar 1 ding. Weg uit dit verderfelijke museum vol blote mensen.  Hij bekeek de fotograferende Toeristen opeens met een andere blik. Geef hem eens ongelijk.